
Waarom gloeibougies?
In de Ottomotor zorgt de bougie met behulp van een vonk voor de ontbranding van het lucht-/brandstofmengsel. Dieselmotoren daarentegen zijn zogenaamde zelfontbranders. Het functieprincipe: Er wordt omgevingslucht aangezogen en in de cilinders zó sterk verdicht (gecomprimeerd) dat zij een temperatuur tussen 700 en 900 °C bereikt. Als er nu brandstof bijkomt, dan ontbrandt deze vanzelf op grond van deze hitte.
Als er een lage buitentemperatuur heerst, zijn de motor en de cilinder koud, net zoals de aangezogen lucht. Om warmteverliezen tegen te gaan zijn er gloeibougies: Zij compenseren de ongunstige startomstandigheden door „voor te gloeien“ en de verbrandingsruimte op te warmen. Moderne bougies gloeien bovendien na, totdat de motor de vereiste bedrijfstemperatuur bereikt heeft. Zo garanderen zij ook tijdens de eerste kilometers dat de motor rustig loopt en weinig schadelijke stoffen uitstoot. Het nagloeien reduceert bijvoorbeeld de ontwikkeling van blauwe en witte rook met bijna 50 procent. Het „nagelen van de motor bij een koude start“ hoort tot het verleden.
Een gloeibougie moet veel kunnen doorstaan: hij is in de cilinderkop ingebouwd, zijn gloei-element komt tot in de verbrandingsruimte van de motor. Daar is hij blootgesteld aan extreme hitte en hoge drukken.
NGK biedt gloeibougietypen voor zeer verschillende motoren en regeleenheden. Het is allemaal maatwerk. Gloeibougies verschillen in gebruikte materialen en uitvoering. Er zijn stalen en keramische gloeibougies met een verschillende doorsnede en lengte van de schroefdraad, gloeibougies voor verschillende accuspanningen en speciaal gloeigedrag.













